🇳🇱 Geschreven in het Nederlands

De grootste uitdaging binnen de Nederlandse taal, is de bepaling van -d, -t en -dt. Zelfs moedertaalsprekers maken nog dagelijks fouten. In dit artikel zal ik uitleggen hoe deze fouten kan voorkomen.
In dit artikkel:
– Wat is “de stam”?
– Wanneer “stam + t”?
– Onregelmatige werkwoorden
Tegenwoordige tijd
Wat is “de stam”?
Stamregel 1: er verandert niets. Om te kunnen bepalen of we -d, -t of -dt moeten gebruiken, zullen we het werkwoord eerst moeten ontleden. Wat we overhouden is de stam, het woord waarmee we kunnen vervoegen.
Het eenvoudigste is te denken aan een boom. In dat geval is het hele werkwoord de boom, zoals fietsen. Door -en (de takken) weg te halen krijg je de stam, het woord fiets.
Een andere manier om de stam te vinden, is door er een zin van te maken en in de ik-vorm te plaatsen: “Wij hangen onze jassen op. Ik hang mijn jas op.” Het woord hang is in dit geval de stam.
| Hele werkwoord | De stam |
|---|---|
| fietsen -en | (Ik) fiets |
| hangen -en | (Ik) hang |
| werken -en | (Ik) werk |
Niet alle bomen zijn hetzelfde. Zo is het met ontleden van werkwoorden precies hetzelfde. Hieronder volgen de regels en uitzonderingen.
Stamregel 2: het werkwoord verandert. Sommige werkwoorden die lang klinken, moeten lang gehouden worden. Zij krijgen een extra letter.
| Hele werkwoord | De ruwe stam | De stam |
|---|---|---|
| lopen -en | (Ik) lop + o | (Ik) loop |
| spelen -en | (Ik) spel + e | (Ik) speel |
| maken -en | (Ik) mak + a | (Ik) maak |
Stamregel 3: dubbele medeklinker. Als de ruwe stam eindigt op een dubbele medeklinker, valt altijd één klinker weg.
| Hele werkwoord | De ruwe stam | De stam |
|---|---|---|
| drukken -en | (Ik) drukk -k | (Ik) druk |
| rennen -en | (Ik) renn -n | (Ik) ren |
| wassen -en | (Ik) wass -s | (Ik) was |
Stamregel 4: f wordt v en z wordt s. In de Nederlandse grammatica eindigen woorden nooit op een “v” of een “z”. Hierom verandert die klinkers in “f” en “s”.
| Hele werkwoord | De ruwe stam | De stam |
|---|---|---|
| blazen -en | (Ik) blaz -z + as | (Ik) blaas |
| verhuizen -en | (Ik) verhuiz -z + s | (Ik) verhuis |
| beven -en | (Ik) bev -v + ef | (Ik) beef |
| durven -en | (Ik) durv -v + f | (Ik) durf |
Stamregel 5: het werkwoord verandert. Als laatste, niet veel voorkomende, zijn werkwoorden die eindigen op een trema. Soms valt er een “n” weg, andere keren “ën”.
| Hele werkwoord | De ruwe stam | De stam |
|---|---|---|
| ruziën -en | (Ik) ruzië -ën + e | (Ik) ruzie |
| skiën -en | (Ik) ski -ën | (Ik) ski |
| sleeën -en | (Ik) slee -ën | (Ik) slee |
top | stam | stam +t | onregelmatig
Wanneer “stam + t”?
Nu dat we weten wat de stam is, kunnen we verder gaan met vervoegen. Dit doen we op de volgende manier.
| 1e persoon enkelvoud: | ik | Stam |
| 2e persoon enkelvoud: | jij, je, gij, u | Stam + t |
| 3e persoon enkelvoud: | hij, zij, ze, het, de, men | Stam + t |
| 1e persoon meervoud: | wij, we | Stam + en |
| 2e persoon meervoud: | jullie, gij, u | Stam + en |
| 3e persoon meervoud: | zij, ze | Stam + en |
Stam + t: De 2e en de 3e persoon in de tegenwoordige tijd krijgen altijd “+ t“.
1. Ik loop elke dag naar school.
2. Jij loop + t elke dag een rondje.
3. Hij loop + t gezellig mee.
1. Wij lopen samen.
2. Jullie lopen de marathon.
3. Zij lopen niet.
Stam + dt: Eindigt de stam op een “d”, dan wordt het “dt”.
1. Ik antwoord jouw vraag.
2. Jij antwoord + t me nooit.
3. Hij antwoord + t heel snel.
1. Wij antwoorden samen.
2. Jullie antwoorden samen.
3. Zij antwoorden niet.
top | stam | stam +t | onregelmatig
Onregelmatige werkwoorden
Dit zijn werkwoorden die niet zoals gebruikelijk gaan:
| hebben | kunnen | mogen | |
|---|---|---|---|
| 1e persoon: | heb | kan | mag |
| 2e persoon: | hebt | kunt | mag |
| heb je | kun je | mag je | |
| 3e persoon: | heeft | kan | mag |
| Meervoud: | hebben | kunnen | mogen |
| willen | zijn | zullen | |
|---|---|---|---|
| 1e persoon: | wil | ben | zal |
| 2e persoon: | wilt | bent | zult |
| wil je | ben je | zul je | |
| 3e persoon: | wil | is | zal |
| Meervoud: | willen | zijn | zullen |
ours Bamse